Negatieve framing ongecontracteerd werken

 

Minister Hugo de Jonge en staatssecretaris Paul Blokhuis hebben een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over het bevorderen van contracteren. Helaas wordt via verschillende kanalen het beeld geschetst dat ongecontracteerd werken een groot probleem is, terwijl uit onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Ook worden de wijkverpleging en de ggz onterecht op één hoop geveegd.


Ongecontracteerd werken wordt ten onrechte negatief geframed

In het deze zomer gesloten hoofdlijnenakkoord voor de ggz werd aanvankelijk gesproken over het afstraffen van ongecontracteerd werken. De LVVP vindt deze insteek principieel onjuist en heeft zich er sterk voor gemaakt om de negatieve framing te doorbreken. De tekst is daarop aangepast: in het hoofdlijnenakkoord staat nu dat partijen ongecontracteerde zorg onwenselijk vinden enkel daar waar het ondoelmatig en onrechtmatig is en dat gecontracteerd werken aantrekkelijk gemaakt moet worden.

 

Ongecontracteerd werken is geen groot probleem

Het probleem van ongecontracteerd werken is minder groot dan men – al dan niet bewust – doet geloven:

 

  • Ongecontracteerd werken is niet duurder. Eerder dit jaar voerde Arteria Consulting een onderzoek uit naar het (niet-)ongecontracteerd werken. Hieruit bleek voor de ggz dat de kosten voor ongecontracteerde zorg  niet hoger zijn, maar veelal vergelijkbaar of zelfs lager uitvallen. Slechts voor een beperkt aantal diagnosen vallen de zorgkosten  hoger uit (alcoholverslaving, verslaving overige middelen, somatoforme stoornissen en ‘restgroep diagnoses’). Dit wordt in de Kamerbrief van De Jonge & Blokhuis ook als zodanig benoemd. In het hoofdlijnenakkoord hebben partijen afgesproken dat na een gezamenlijke analyse van de aard en oorzaak er gerichte aanpassing in wet- en regelgeving noodzakelijk kan zijn. De uitkomsten van het onderzoek geven alle aanleiding tot gerichte aanpassing. Dit lezen wij onvoldoende terug in de brief van de bewindspersonen, waar er toch meer gesproken wordt van generieke maatregelen. Dit is niet conform de afspraken in het hoofdlijnenakkoord.
  • De geleverde kwaliteit en doelmatigheid zijn gelijk. Uit het onderzoek van Arteria Consulting blijkt tevens dat cliënten in de ggz niet of nauwelijks verschillen ervaren in doelmatigheid en kwaliteit van de geleverde zorg tussen een gecontracteerde of niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Bovendien zien wij onder vrijgevestigde psychologen en psychotherapeuten dat zij meestal deels ongecontracteerd werken. Daar er dus bijna altijd wel sprake is van een contract met een of meerdere zorgverzekeraars, is het argument dat de geleverde kwaliteit niet gegarandeerd zou zijn, onterecht. Maar bovenal geldt in de ggz de verplichting om een kwaliteitsstatuut te hebben. Deze verplichting geldt voor elke ggz-aanbieder, dus ook de ongecontracteerde ggz-aanbieder.
  • Ook bij ongecontraccteerde zorg is de continuïteit gewaarborgd. Alle zorgaanbieders in de ggz, dus ook de ongecontracteerden, hebben een eigen kwaliteitsstatuut. Onderdeel van het kwaliteitsstatuut is het praktijktestament, waarin wordt vastgelegd hoe de continuïteit van de zorg wordt gewaarborgd.
  • Het aandeel niet-gecontracteerde zorg is zeer klein. Zoals advocaat Koen Mous in zijn blog  terecht opmerkt, bedraagt het aandeel niet-gecontracteerde zorg slechts 1 procent van de totale omzet in het kader van de Zorgverzekeringswet. De impact van een verhoging van de vergoeding die betaald moet worden aan niet-gecontracteerde zorgaanbieders, zal dus beperkt zijn en nauwelijks effect hebben op de totale zorgkosten.

 

Wijkverpleging en ggz zijn niet hetzelfde

In de verschillende gremia worden de wijkverpleging en de ggz vaak in één adem genoemd en wordt gepretendeerd dat de problemen in beide sectoren van gelijke aard zijn. Een vaak gehoord verwijt is bijvoorbeeld dat in beide sectoren zwaarder wordt behandeld dan nodig is en dat daardoor de wachttijden zo lang zouden zijn. De aard van de zorg in beide sectoren is echter heel anders. ‘Zwaarder behandelen’ in de wijkverpleging betekent bijvoorbeeld iemand een keertje extra douchen; dat is zorg die direct ten goede komt aan de cliënt. Dat is van een andere orde dan bijvoorbeeld iemand met een lichte depressie zwaarder behandelen. Dat zou malpractice zijn en daarvoor is geen enkel bewijs; bovendien is dat een heel andere discussie.

 

Cliënten in de ggz kiezen bewust voor een ongecontracteerde aanbieder

Ook in de Kamerbrief wijzen De Jonge & Blokhuis op verschillen tussen de wijkverpleging en de ggz. ‘Anders dan bij de wijkverpleging maken cliënten in de ggz een bewustere keuze voor een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Cliënten noemen als voordelen van niet-gecontracteerde zorg de vrijere keuzes voor een behandelaar en type behandeling, meer persoonlijke en kleinschalige voorzieningen, minder wachttijden en betere borging van de privacy.’

 

Verzekeraars slagen er (nog) onvoldoende in om contracteren aantrekkelijk te maken

In het hoofdlijnenakkoord hebben partijen afgesproken dat contracteren aantrekkelijk gemaakt dient te worden  in plaats van niet contracteren af te straffen. De LVVP moet helaas constateren dat dit voor 2019 weer niet goed is geslaagd. Ook De Jonge & Blokhuis onderkennen dit in de kamerbrief: ‘In het huidige contracteerproces is nog vaak onvoldoende contact en onvoldoende begrip tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Er zijn afspraken gemaakt om het contracteerproces sterk te verbeteren, zodat het voor alle partijen een voorkeursoptie wordt.’

 

  • Verzekeraars stellen extra eisen aan zorgaanbieders en willen niet breed contracteren. De Jonge & Blokhuis in hun brief: ‘Om de groei van de markt te remmen, willen niet alle zorgverzekeraars breed contracteren. Zij kiezen ervoor extra eisen te stellen, om zo beperking van de groei van de markt te bewerkstelligen.’ Nieuwe aanbieders worden vaak niet gecontracteerd en opleidingspraktijken krijgen vaak lagere tarieven. Terwijl opleidingspraktijken juist vaak heel goed functioneren en er extra op de kwaliteit wordt gecheckt. In het kader van de lange wachtlijsten is dit ontoelaatbaar en het komt de contracteergraad niet ten goede.
  • Niet alleen het inkoopproces, maar ook in de uitvoering ontstaan problemen. In de kamerbrief staat: ‘Zorgverzekeraars moeten zich houden aan de verplichtingen die de NZa heeft opgesteld in de ‘Regeling transparantie zorginkoopproces Zvw’. Deze regeling gaat alleen maar over het inkoopproces, terwijl veel problemen zich voordoen bij de uitvoering. De Nederlandse Zorgautoriteit geeft dan niet-thuis, omdat het buiten haar bevoegdheid valt. Vrijgevestigden moeten dan via civiele procedures hun gelijk halen. Dergelijke procedures duren lang en zijn kostbaar, dus in de praktijk zullen vrijgevestigden dit niet gaan doen. Een en ander komt wederom niet ten goede van de contracteerbereidheid van vrijgevestigden.
  • Verzekeraars maken onterecht onderscheid tussen gecontracteerde en ongecontracteerde zorgaanbieders. In de diverse gremia wordt vaak dé gecontracteerde zorgaanbieder geplaatst tegenover dé niet-gecontracteerde zorgaanbieder, zo merkt advocaat Koen Mous terecht op in zijn blog. De praktijk is echter niet zo zwart-wit. Veel zorgaanbieders worden namelijk door sommige zorgverzekeraars gecontracteerd maar door andere niet. Dat heeft weinig tot niets te maken met kwaliteit – dat zou namelijk betekenen dat de kwaliteit voor de ene verzekeraar wel zou volstaan en voor de andere verzekeraar niet. Selectief contracteren heeft veel meer te maken met het door de zorgverzekeraar opgelegde omzetplafond, grotere administratieve lasten en dubbele kwaliteitsuitvragen. Het feit dat een zorgaanbieder vaak slechts deels niet-gecontracteerd is, laat zien dat de suggestie onjuist is dat niet-gecontracteerde zorgaanbieders per definitie ‘duurder’, ‘slechter’ of ‘frauduleuzer’ zijn dan gecontracteerde zorgaanbieders. De bewuste zorgaanbieders hebben immers vaak met een andere verzekeraar wel een contract.

 

'Stemmen met de voeten' moet mogelijk blijven

Voor het evenwicht in de zorgmarkt is het van belang dat niet alle macht bij één partij komt te liggen. Als zorgaanbieders geen aantrekkelijk contract met goede voorwaarden aangeboden krijgen, moeten ze de mogelijkheid hebben om te kunnen stemmen met de voeten. Als de positie van ongecontracteerden verslechtert, heeft dat ook een negatieve invloed op zorgaanbieders die wel contracteren. Zij hebben daardoor namelijk een minder goede dan wel helemaal geen onderhandelingspositie meer. Het t.r.o.g.-contract is wat dan overblijft: tekenen rechts onder graag.

 

LVVP voorstander van behoud artikel 13

Het inperken van de mogelijkheden om ongecontracteerd te werken raakt -last but not least!- rechtstreeks aan het recht op de vrije artsenkeuze. Dit recht is verankerd in artikel 13 van de Zorgverzekeringswet, een recht waar de LVVP pal voor staat. Afgelopen maandag diende een rechtszaak van de stichting handhaving vrije artsenkeuze tegen vier grote zorgverzekeraars. Hierbij is ook de inperking van het ongecontracteerd werken aan de orde gesteld.

 

Wetswijziging in de maak

In de brief geven De Jonge en Blokhuis aan dat er een wetswijziging in de maak is. ‘De overheid krijgt hiermee de mogelijkheid om voor bepaalde (deel)sectoren de hoogte van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg in (nadere) regelgeving vast te leggen en deze dus niet langer over te laten aan verzekeraars en de daarover ontstane jurisprudentie.’ Deze zinsnede lijkt niet te wijzen op gerichte aanpassingen, zoals wel in het hoofdlijnenakkoord is afgesproken. Dit zouden wij zorgelijk vinden. Niet alleen is keuzevrijheid voor de patiënt cruciaal, het zorgt ook voor de nodige checks and balances in de driehoek zorgverzekeraar, aanbieder en cliënt, zodat de balans in dit systeem gewaarborgd blijft.